FARO ANTEO
Faro Anteo wordt een video-installatie die uit een toren met vier ronddraaiende videoprojectoren bestaat. De toren rijst op uit een put en komt in het midden van een verduisterde, ronde, bij voorkeur octogonale ruimte te staan. De projectoren bevinden zich in een krans rond de top van de toren. Al draaiende wordt een nachtelijk panorama, dat in trage afwisseling in dichte en in langzaam optrekkende mist is gehuld, op de wanden van de ruimte geprojecteerd.
Een vijfde, statische projector bevindt zich in het midden bovenin de toren en is verticaal naar beneden gericht. Met deze projector wordt de chtonische put van waaruit de toren op lijkt te rijzen op de vloer geprojecteerd.
De toren zelf heeft een sterk immaterieel karakter. De schacht van de toren, die vooral uit het licht van de verticaal gerichte projector zal bestaan, wordt zo open mogelijk geconstrueerd.
De naam van de videovuurtoren is ontleend aan de mythologische reus Antaeus, zoon van Zee en Aarde, die ook in Dante's Inferno (Canto XXXI, 112/114) voorkomt: 'Toen gingen we weer verder en kwamen we bij Antaeus, die, zijn hoofd niet meegerekend, zeker vijf el boven de put uitstak'.
Het panorama dat de videovuurtoren bestrijkt, vormt het grondplan van de installatie. Het panorama is in vier sectoren en vier overgangsgebieden onderverdeeld. Deze indeling is gebaseerd op het oerlandschap van het oud-Babylonische epos Enuma Elisj. Vanwege de overeenkomst die er bleek te bestaan tussen de vier sectoren van dit Babylonische panorama en de landschappen van mijn eerdere videowerken, hangt de indeling tevens samen met vier video-installaties die ik heb gemaakt in de periode 1987-1992.
HOOFDBEELD PANORAMA
De installatie Faro Anteo wil een nevelige landtong voorstellen waar een vuurtoren op staat. Dit landschap - een zogenaamd paysage moralisé en hoofdbeeld van de installatie - wordt door de ronddraaiende lichtbundels, die het in duister gehulde schiereiland en de omringende zee bestrijken, zèlf in beeld gebracht.
SECUNDAIRE BEELDLAGEN PANORAMA
Faro Anteo heeft, in navolging van de eerder genoemde video-installaties, meerdere beeldlagen die door het hoofdbeeld heen worden gemonteerd.
De gelaagde beeldopbouw is een principe, dat aan al mijn videowerk ten grondslag ligt.
Het hoofdbeeld bepaalt voor een groot deel de vorm van de installatie.
De secundaire beeldlagen, die vooral inhoudelijk van aard zijn, bestrijken het gebied waar vorm en inhoud samenvallen.
De secundaire beeldlagen zijn gebaseerd op stramienen die per installatie verschillen. Zij zijn de proportionele lijnen waarlangs de secundaire beelden door het hoofdbeeld heen worden gemonteerd. De stramienen bepalen het ritme, de frequentie en de intensiteit van de secundaire beelden, maar zijn ook van waarde voor de compositie van het werk als geheel. De stramienen zijn afgeleid van getallenreeksen, die te maken hebben met de literaire bron van het werk.
Voor Faro Anteo zijn de stramienen afgeleid van getallen die kenmerkend zijn voor het eerdergenoemde oud-Babylonische scheppingsepos. Tevens heb ik mij voor de momenten waarop de secundaire beelden oplichten laten inspireren door een oud-Babylonische wereldkaart, afgebeeld op een kleitablet dat zich in het British Museum in Londen bevindt. Daarbij ging het mij in het bijzonder om de acht terra's incognita, die volgens de oud-Babyloniërs achter de wereldzee verborgen gingen. Ik heb de vrijheid genomen om één terra incognita door drie verticale hemelbanen aan de oostelijke horizon te vervangen, omdat daarvan in de oud-Babylonische kosmogonie tevens sprake is. Een nieuw element dat bij Faro Anteo optreedt is, dat, vergeleken met de andere installaties, de polyfonie van de verschillende beeldlagen nu niet alleen aan 'tijd' is gebonden, maar ook aan 'plaats', nl. de posities van de beelden op de panoramacirkel.
Er is ook een variatie denkbaar van een panoramacirkel die gevormd wordt door bijvoorbeeld acht statische videoprojectoren (of zestien videomonitoren) waarbij het vuurtorenlicht met behulp van speciale montagetechnieken 'over' de projectievelden ofwel monitoren strijkt.
De zeven-plus-drie gebieden zijn de plaatsen waarop vijf secundaire beeldlagen door het hoofdbeeld heen op de wand worden geprojecteerd. Drie beeldlagen worden half met het hoofdbeeld gemixt; zij zijn, met andere woorden, half door het hoofdbeeld heen te zien. De secundaire beelden zullen als 'wipes'-van-rechts-naar-links in het rechtsom roterende hoofdbeeld gemonteerd worden, waardoor zij niet met de projectie mee zullen draaien, maar het panoramabeeld over deze beelden heen zal 'glijden'. (In de statische versie gebeurt dat vanzelfsprekend omgekeerd.) Voor de secundaire beeldlagen wil ik gebruik maken van beeldmateriaal dat speciaal voor dit project is opgenomen (TV en internet) en van beeldmateriaal van de andere video-installaties.
Voor de eerste secundaire beeldlaag ben ik uitgegaan van elementen uit het Babylonische oerlandschap - "toen de hemelen boven" nog maar net een "naam" hadden gekregen en "de naam aarde hier beneden" net "uitgesproken" was.
De tweede en derde secundaire beeldlaag zouden volgens het oorspronkelijke werkplan respectievelijk uit citaten en uit actualiseringen van thema's uit de andere installaties komen te bestaan. Bij de uitwerking van het werkplan van Faro Anteo is mij duidelijk geworden dat aan dit onderscheid niet consequent kon worden vastgehouden, zodat 'oud' en 'nieuw' beeldmateriaal in deze twee beeldlagen door elkaar zullen lopen.
Een vierde, zeer dynamische secundaire beeldlaag zal een geheel eigen karakter krijgen, dat zich in dit korte bestek moeilijk laat beschrijven. De beelden van deze beeldlaag worden noch 'half', noch door middel van 'wipes' door het hoofdbeeld heen gemonteerd. Zij zullen, synchroon, het hoofdbeeld van alle vier projectoren voor langere of kortere tijd verdringen. De beelden van deze beeldlaag lopen vanuit vier punten tegelijk met de projectie mee.
Een vijfde, repetitieve beeldlaag wordt evenmin 'half', maar wel door middel van 'wipes' in het hoofdbeeld opgenomen. Deze is archetypisch van aard en houdt zowel verband met de andere installaties als met de literaire bronnen waarop de gehele cyclus gebaseerd is.
VERTICALE PROJECTIE
Haaks op de horizontale projectie van het panorama op de wand met behulp van vier roterende projectoren is er een vijfde projectie. Deze is vanuit het midden van de top van de vuurtoren op de grond gericht. Deze verticale projector, die statisch is opgehangen en dus niet met de rotatie meebeweegt, projecteert de put van waaruit de videovuurtoren als het ware oprijst.
Het videobeeld in de put bestaat uit twee beeldlagen: hoofdbeeld en één secundaire beeldlaag. Beide beeldlagen zijn chtonisch van aard. Het hoofdbeeld is dat van een kwalijk dampend gat, geassocieerd aan voorstellingen die de klassieken van de toegang tot de onderwereld hadden. De secundaire beeldlaag bestaat uit meer dantesk-chtonische beelden, geassocieerd aan de manier waarop Dante - in navolging van de klassieken - de rivieren van de onderwereld heeft verbeeld. Deze beelden in de put komen slechts sporadisch voor: alleen op de momenten dat de synchroon-dynamische beelden die met het panorama meedraaien (de zogeheten sync-mixen van de vierde beeldlaag) vertoond worden.
De toren zelf zal zo open mogelijk geconstrueerd worden. (Een technisch onderzoek, dat ik heb laten verrichten, heeft uitgewezen dat het in principe mogelijk is om alleen een krans waarop projectoren en players ronddraaien aan het plafond op te hangen.) Door de open constructie zal de verticale projectie niet alleen de put maar, vanwege de verticale lichtbundel, ook de schacht van de toren visualiseren. Hiermee is het mogelijk een sterk immaterieel karakter aan de vuurtoren als constructie te verlenen. Dit beeld: een vuurtoren die nagenoeg alleen uit licht bestaat, heeft mij van meet af aan bij het ontwerpen van de videovuurtoren voor ogen gestaan. Voor het geval dat de verticale lichtbundel van de videoprojectie te zwak mocht zijn om de schacht voldoende tot zijn recht te laten komen, kan dit effect versterkt worden door gebruik te maken van een oilcracker (dit is een spaarzame rookmachine). De dunne rook - meer damp dan rook - zal dan tevens het chtonische karakter van de videoput versterken.
GELUID
Het geluid van Faro Anteo - een geluidspanorama - zal, mede vanwege zijn mogelijke positie als centrale installatie, tamelijk ingehouden zijn en voornamelijk alleen het hoofbeeld van het panorama en de put ondersteunen. Het geluidspanorama zal daarom grotendeels bestaan uit geluiden die ook voor het hoofdgeluid van de andere video-installaties zijn gebruikt. Daarmee komen er van één kant borrelende/kabbelende/ruisende, soms sissende geluiden en van weerszijden geluiden van respectievelijk een rustige en een iets minder rustige branding/zee. Het chtonische geluid van Vulcano Eolico komt niet van de kant van de wand maar is vanuit de videoput te horen. Van de vierde, nog overgebleven zijde klinkt een geluid dat nieuw is ten opzichte van de andere video-installaties: het zachte geruis van een verre grote waterval.
Het geluidspanorama langs de wand en het geluid in de put zal op bepaalde momenten - gekoppeld aan de dynamische sync-mixen in het panorama en de dantesk-chtonische beelden in de put - door heftigere geluiden overstemd worden. Deze geluiden zullen het dynamische karakter van deze synchroonbeelden extra versterken.
*
De duur van de installatie zal in principe 40 minuten zijn.
De projectie van het panorama kan op twee manieren gedaan worden:
- direct op de wand(en), indien de ruimte zich daarvoor leent;
- op een in de ruimte aangebracht cirkelvormig projectiescherm, hetzij door middel van solide opzetwanden, hetzij door middel van gedeeltelijk doorlatend projectiedoek (bijv. in een verhouding van 70% reflectie en 30% doorlating), ingeval de ruimte zich niet voor projectie op de wanden leent.
In het laatste geval, opzetwanden of doek, denk ik aan acht projectievelden van 480 x 360 cm, met een onderlinge tussenruimte van 80 cm. Deze openingen in het panorama hebben in eerste instantie een praktische functie: als doorgangen naar de ruimte binnen het panorama. Maar van binnen uit bezien maakt deze opstelling het mogelijk de reikwijdte van Faro Anteo te vergroten en de terra's incognita, die naar oud-Babylonisch voorbeeld achter de wereldzee verborgen gingen, ook buiten het panorama zelf aan het licht te brengen.
Wellicht dat deze opstelling bij nadere beschouwing de voorkeur verdient, ook in de gevallen dat de ruimte zich ertoe leent om het panorama direct op de wanden te projecteren.
(ndk / oktober 1996)
|